Vlaanderen staat vol trajectcontroles: minister De Ridder grijpt in

trajectcontrole snelheidscontrole
Afbeelding bron: Photonews

Trajectcontroles zijn de afgelopen jaren steeds zichtbaarder geworden op Vlaamse wegen. Waar snelheidscamera’s oorspronkelijk vooral bedoeld zijn als instrument om de verkeersveiligheid te verbeteren, is er steeds meer discussie ontstaan over de manier waarop sommige lokale trajectcontroles worden gefinancierd en georganiseerd. Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Annick De Ridder wil daar nu duidelijkere grenzen aan stellen.

Trajectcontrole moet voor meer verkeersveiligheid zorgen

Een trajectcontrole meet de gemiddelde snelheid van een voertuig over een langere afstand. Daarbij wordt gebruikgemaakt van nummerplaatherkenning. Wanneer een bestuurder over het gecontroleerde traject gemiddeld sneller rijdt dan toegelaten, kan dat leiden tot een snelheidsovertreding.

Volgens Annick De Ridder mag de financiële opbrengst van dergelijke controles echter nooit het uitgangspunt worden. “Lokale besturen hebben hun autonomie. Maar snelheidshandhaving is geen boekhoudkundige oefening. Ze moet leiden tot minder overtredingen en veiligere straten”, zegt de minister.

Daarmee wil ze lokale besturen ertoe aanzetten om beter te onderbouwen waarom een trajectcontrole op een bepaalde plaats nodig is. Een camera mag volgens de nieuwe aanpak geen doel op zich worden, maar moet deel uitmaken van een breder snelheids- en verkeersveiligheidsbeleid.

Nieuwe regels voor toekomstige trajectcontroles

Voor toekomstige lokale trajectcontroles komt er een duidelijker kader. Vlaanderen wil lokale besturen stimuleren om locaties te selecteren op basis van objectieve verkeersveiligheidscriteria. Vooraleer een trajectcontrole wordt ingevoerd, moet er daarom een verkeersveiligheidsanalyse aan de basis liggen.

Ook de manier waarop lokale besturen met private partners samenwerken, wordt aan banden gelegd. De vergoeding van een private partner mag niet louter afhangen van het aantal vastgestelde snelheidsovertredingen. Ook de terugbetaling van infrastructuur mag niet uitsluitend steunen op inkomsten uit boetes.

Dat is een belangrijke verandering tegenover het zogenaamde concessiemodel dat op sommige plaatsen werd gebruikt. Daarbij werd een private partner onder meer betaald per vastgestelde overtreding. Volgens De Ridder past zo’n systeem niet bij snelheidshandhaving die uitsluitend gericht hoort te zijn op verkeersveiligheid.

“Financiële prikkels mogen nooit bepalen waar we controleren”

De Ridder maakt duidelijk dat financiële belangen volgens haar geen invloed mogen hebben op de keuze van locaties of de intensiteit van controles. “Financiële of contractuele prikkels mogen nooit bepalen waar, hoe intensief of hoelang we controleren”, benadrukt de minister.

Volgens haar zou een goed werkende trajectcontrole uiteindelijk net tot minder overtredingen moeten leiden. Wanneer bestuurders hun snelheid aanpassen, daalt immers ook het aantal boetes. “Als mensen hun rijgedrag aanpassen, moeten het aantal overtredingen én de boete-inkomsten net dalen."

De minister koppelt daar ook een oproep aan voor lokale besturen die inkomsten uit snelheidshandhaving ontvangen. Zij vindt het aangewezen om die inkomsten minstens gedeeltelijk opnieuw te investeren in verkeersveiligheid.

Geen onmiddellijke breuk met bestaande contracten

De nieuwe aanpak betekent niet dat bestaande contracten met private partners onmiddellijk moeten worden stopgezet. Voor bestaande overeenkomsten komt er geen verplichte contractbreuk, maar wel een uitdoofbeleid. De historische constructie waarbij een private partner financieel voordeel kan halen uit het aantal vastgestelde overtredingen wordt dus geleidelijk afgebouwd. Voor nieuwe lokale trajectcontroles moeten de regels meteen duidelijker zijn.

Camera’s mogen veilige infrastructuur niet vervangen

De nieuwe aanpak draait volgens De Ridder niet alleen om de vraag waar camera’s mogen staan. Ook de inrichting van de weg blijft volgens haar een belangrijk onderdeel van verkeersveiligheid.

“Wie een trajectcontrole plaatst, moet helder uitleggen waarom die daar staat, welke veiligheidswinst ze moet opleveren en hoe ze past binnen het lokale snelheidsbeleid. Alleen zo blijft handhaving rechtvaardig en geloofwaardig”, zegt De Ridder.

“Handhaving moet een middel zijn, geen doel op zich”

De discussie betekent overigens niet dat trajectcontroles als instrument verdwijnen. Vlaanderen erkent dat ze een effect kunnen hebben op snelheid en verkeersveiligheid. Trajectcontroles worden al langer gebruikt op verschillende Vlaamse wegen.

De koers van De Ridder is dan ook vooral gericht op de manier waarop lokale trajectcontroles worden ingezet en gefinancierd, niet op het volledig afschaffen van het systeem. De centrale boodschap is dat snelheidshandhaving haar geloofwaardigheid behoudt wanneer bestuurders begrijpen waarom er gecontroleerd wordt en wanneer de controle onderdeel vormt van een duidelijk verkeersveiligheidsbeleid.