We verliezen koopkracht: "Dubbel slecht nieuws voor werknemers"

geld stijn baert
Afbeelding bron: Photonews/Pixabay

De Belgische inflatie is in september opnieuw fors opgelopen. Het nieuwe inflatiecijfer bedraagt 4,69 procent, tegenover 3,97 procent een maand eerder. Volgens professor arbeidseconomie Stijn Baert is dat dubbel slecht nieuws voor werknemers. Niet alleen wordt het dagelijkse leven opnieuw duurder, ook de gezondheidsindex, die een belangrijke rol speelt bij de loonindexering, stijgt minder snel.

Inflatie stijgt van 3,97 naar 4,69 procent

De inflatie is in september duidelijk hoger uitgekomen dan in augustus. Toen bedroeg de inflatie 3,97 procent. In september loopt ze op tot 4,69 procent. In de praktijk betekent een inflatie van 4,69 procent dat een korf van goederen en diensten die een jaar geleden 100 euro kostte, gemiddeld ongeveer 104,69 euro kost. 

Dat is ook de vergelijking die Stijn Baert maakt op het sociale medium X. “Als een doorsnee gezin vorig jaar (in september 2025) 100 euro uitgaf, het nu ongeveer 104 euro en 69 cent betaalt voor dezelfde (normale) korf aan producten.”

Baert vergelijkt de ontwikkeling met een loper. “We lopen aan (te) hoge snelheid en versnellen nog”, schrijft hij. Daarmee wijst hij erop dat niet alleen het inflatieniveau hoog blijft, maar dat de inflatie op maandbasis opnieuw duidelijk is toegenomen.

Waarom is dit dubbel slecht nieuws voor werknemers?

Het eerste probleem is rechtstreeks voelbaar in de portemonnee. Wanneer prijzen gemiddeld bijna 4,7 procent hoger liggen dan een jaar geleden, hebben gezinnen meer geld nodig om dezelfde goederen en diensten te kopen.

Maar volgens Baert zit het tweede probleem in het verschil met de gezondheidsindex. Die index houdt geen rekening met onder meer tabak, alcohol en motorbrandstoffen en speelt een belangrijke rol bij de automatische loonindexering in België.

De gezondheidsindex kwam in september uit op ongeveer 4,0 procent op jaarbasis. Daardoor stijgt de maatstaf die voor veel loonindexeringen wordt gebruikt minder sterk dan de algemene inflatie. Dat verschil bedraagt momenteel ongeveer 0,7 procentpunt. Voor werknemers betekent dat volgens Baert dat de lonen niet noodzakelijk even snel stijgen als de kosten van de volledige consumptiekorf.

Wat betekent dat voor de koopkracht?

Stel dat een werknemer een loon heeft dat met 4 procent wordt aangepast, terwijl de algemene consumptieprijzen met 4,69 procent zijn gestegen. Dan stijgt het inkomen minder snel dan de gemiddelde prijs van de volledige consumptiekorf.

Op papier lijkt het verschil misschien beperkt, maar op jaarbasis kan een dergelijke kloof wel degelijk een impact hebben op de koopkracht. Zeker wanneer bepaalde uitgaven van een gezin veel sneller stijgen dan het algemene inflatiecijfer.

Gezondheidsindex stijgt minder snel dan gewone inflatie

Het verschil tussen de twee cijfers is belangrijk om de impact op werknemers te begrijpen. De algemene inflatie meet de evolutie van de prijzen van de consumptiekorf. De gezondheidsindex sluit bepaalde producten uit en wordt onder meer gebruikt als basis voor loonindexeringen.

Volgens Baert bedraagt de gezondheidsindex momenteel 4,0 procent, tegenover 4,69 procent voor de algemene inflatie. Dat betekent dat de prijsontwikkeling die werknemers rechtstreeks in hun loonindexering terugzien, voorlopig minder sterk is dan de volledige stijging van de consumptieprijzen.

Baert vat het samen als “koopkrachtverlies voor het doorsneegezin”. Dat is zijn interpretatie van het verschil tussen beide indexcijfers. Of een individueel gezin daadwerkelijk koopkracht verliest, hangt uiteraard ook af van het concrete loon, de timing en de gebruikte indexeringsregeling en van welke producten en diensten dat gezin koopt.

Benzine en diesel maken het verschil nog groter voor sommige gezinnen

Het algemene inflatiecijfer is bovendien een gemiddelde. Niet elk gezin krijgt met dezelfde prijsstijgingen te maken. Baert wijst er bijvoorbeeld op dat motorbrandstoffen fors duurder zijn geworden. Zo kost diesel 44,1 procent meer dan in september 2025 en benzine 29,4 procent meer. Voor een gezin dat dagelijks met de auto rijdt, kan de persoonlijke inflatie daardoor aanzienlijk hoger liggen dan het algemene cijfer van 4,69 procent.

Ook andere uitgaven kennen sterke prijsstijgingen. Baert noemt onder meer gas, elektriciteit, geneesmiddelen, pakketreizen en hotels. Tegelijk zijn sommige producten goedkoper geworden, zoals smartphones en mobiele abonnementen. Het inflatiecijfer van 4,69 procent is dus een gemiddelde. De werkelijke impact op het huishoudbudget verschilt naargelang de samenstelling van de persoonlijke uitgaven.

Wat gebeurt er de komende maanden met de inflatie?

Daarover bestaat nog onzekerheid. Baert vraagt zich af of de inflatie de komende maanden rond 5 procent zal stabiliseren en daarna opnieuw zal dalen, zoals het Planbureau verwacht, of dat de prijsstijgingen verder kunnen doorschieten. “Er zijn veel onzekerheden”, schrijft hij daarbij. Hij verwijst onder meer naar de oorlog in Iran en de weersomstandigheden tijdens de komende winter.